Kaas makenKaasmaken begint op de boerderij, waar de koeien in het weiland lopen. De koe eet gras. Dat gras verteert in de magen van de koe en wordt in de uier omgezet in melk. De boer melkt de koe twee keer per dag. Van de boerderij gaat de melk naar de fabriek.
Stremsel en zuursel Om kaas te maken heb je ook stremsel en zuursel nodig. Stremsel zorgt ervoor dat de ‘vaste’ stoffen in de melk, melkeiwit en melkvet, gaan samenklonteren. Hierdoor wordt de melk als het ware dikker. Zuursel geeft de kaas een lekkere smaak en zorgt ervoor dat de kaas langer houdbaar is. |  |
Wrongel De dikke melk wordt daarna in stukjes gesneden tot er kleine, witte korrels overblijven: dit heet de wrongel. |  |
Van wrongel tot kaas De wrongel drijft in vocht, dat 'wei' wordt genoemd. De wei wordt afgetapt en gaat naar andere fabrieken, terwijl van de wrongel kaas wordt gemaakt. |  |
| De nog korrelige wrongel wordt verzameld in een rond vat. In dit vat wordt de wrongel stevig geperst. Zo krijgt de kaas haar vorm |  |
Pekelbad Na het persen rollen de kazen in het pekelbad. Dit kun je vergelijken met een heel groot zwembad met zout water. Het zout trekt in de kaas, waardoor de kaas stevig wordt en smaak krijgt. Door het zout is de kaas ook langer houdbaar. |  |
Rijpen Na het pekelbad gaan de kazen naar het pakhuis om te rijpen. Daar krijgen ze een plastic beschermlaagje waardoor ze minder vocht verliezen en niet gaan schimmelen. |  |
|
|