Koeiengeschiedenis

De voorloper van onze melkkoe is de oeros (in het Latijn Bos primigenius ). Deze oeros was een indrukwekkend dier, twee meter hoog en met lange, naar voren uitstekende hoorns. Dit wilde dier is geleidelijk door de mens getemd, zodat de tamme runderen voor hun melk en vlees konden worden gehouden. De veehouderij ontstond rond 7000 voor Christus in het Nabije Oosten (zie afbeelding). De eerste koeien zijn rond 5000 voor Christus in Nederland gesignaleerd.

Kleine, kleurige koeien
De tamme koeien waren een stuk kleiner dan de wilde oeros. Dit blijkt uit botten die bij opgravingen zijn gevonden en ook uit afbeeldingen op schilderijen. Deze koeien gaven ook veel minder melk dan de koe van tegenwoordig: waar de koe nu (in 2004) zo'n 7000 liter melk per jaar geeft, bedroeg de melkproductie aan het eind van de middeleeuwen 1000 liter per jaar en rond 1800 gemiddeld zo'n 2000-3000 liter melk.
Koeien waren destijds ook veel kleuriger. Naast zwarte en zwartbonte koeien wordt in beschrijvingen uit de Middeleeuwen gesproken over rode, roodbonte, muiskleurige, bruine, gele en witte koeien.


Schilderij met koeien van Paulus Potter

Ziekten
Epidemische ziekten kwamen vroeger ook veel voor. In de 18e eeuw is een groot deel van de Nederlandse veestapel aan de veepest bezweken. Ter vervanging werden koeien uit Duitsland en Denemarken ingevoerd. In de 19e eeuw koos men voor bestrijding door het doden van besmette dieren en inenting van gezonde dieren.

Stamboeken
Om betere dieren te fokken, werden in 1874 het Nederlands Rundveestamboek en in 1979 het Fries Rundveestamboek opgericht. Deze stamboeken registreerden koeien en stieren die aan bepaalde voorwaarden voldeden en organiseerden keuringen. Er kwam ook een indeling van de Nederlandse koeien in drie rassen: zwartbont Fries en zwartbont Hollands, roodbont Maas-Rijs-IJssel en zwartblaar Gronings.

Standbeeld
De veeteelt was zo belangrijk voor de provincie Friesland, dat in Leeuwarden een standbeeld voor de koe werd neergezet: "Us Mem", wat onze moeder betekend.

Van export naar Holstein-Friesian
Nederlandse koeien waren in de 19e eeuw populair in het buitenland vanwege hun hoge melkproductie. In de Verenigde Staten werd met Nederlandse koeien verder gefokt. Deze koeien kregen de naam Holstein-Friesian. In de tweede helft van de 20e eeuw kwamen deze Amerikaanse afstammelingen van Nederlandse koeien terug in Nederland omdat ze inmiddels meer melk gaven dan het Nederlandse ras. Sindsdien is de zwartbonte Holstein-Friesian het belangrijkste koeienras in Nederland.