DEEL

De koe

Het gedrag van de koe

Een koe is een sociaal dier dat van nature in groepen leeft. De aanwezigheid van soortgenoten maakt haar rustiger. Binnen iedere groep bestaat een rangorde. Dieren die lager zijn in rang moeten de ruimte hebben om ‘hoger geplaatste’ dieren te ontwijken.

In de wei grazen koeien 4 tot 9 uur per dag, waarbij afstanden van 3 tot 4,5 kilometer worden afgelegd. Daarnaast herkauwen ze ook 4 tot 9 uur. Ze liggen per dag 8 tot 14 uur en wisselen hierbij regelmatig van zijde.

Koeien zorgen er voor dat hun huid schoon blijft. Ze kunnen met hun tong grote delen van hun lichaam bereiken. Met de staart verjagen ze vliegen. Met de achterpoten kan worden gekrabd aan kop en hals. Daarnaast likken koeien elkaar op moeilijk bereikbare plekken.

Wil je weten wat een koe nog meer doet op een dag? Klik dan snel hier!

Geschiedenis van de koe

De voorloper van onze melkkoe is de oeros (in het Latijn Bos primigenius ). Deze oeros was een indrukwekkend dier, twee meter hoog en met lange, naar voren uitstekende hoorns. Dit wilde dier is geleidelijk door de mens getemd, zodat de tamme runderen voor hun melk en vlees konden worden gehouden. De veehouderij ontstond rond 7000 voor Christus in het Nabije Oosten. De eerste koeien zijn rond 5000 voor Christus in Nederland gesignaleerd.

Voortplanting

Een koe is om de drie weken vruchtbaar, ook wel tochtig genoemd. De veehouder moet de koe dan drachtig zien te krijgen. Dat gebeurt met een stier van het eigen bedrijf of met de sperma van een andere stier. Dat laatste wordt ook wel kunstmatige inseminatie (KI) genoemd. Na de bevruchting duurt het 40 weken (de drachtigheidsperiode) voordat er een kalfje wordt geboren.

Kunstmatige inseminatie

Bij KI wordt stierensperma via een rietje in de schede van de koe geïnsemineerd. Het sperma is afkomstig van KI-stations. Op die stations staan tientallen fokstieren. De veehouder kan dankzij deze methode sperma kiezen van een stier, wiens eigenschappen hij graag in zijn veestapel terug ziet komen.

Sperma verzamelen

De stieren bespringen in het KI-station een kunstkoe. Het sperma wordt opgevangen en in buisjes (rietjes) gedaan. Deze rietjes worden bewaard in containers met vloeibare stikstof bij een temperatuur van min 196 graden Celsius. Bij deze temperatuur blijft het sperma jarenlang goed.
Per lozing produceert de stier ruim vijf miljard zaadcellen, goed voor 700 rietjes sperma.

Embryotransplantatie

Met embryotransplantatie (ET) worden bevruchte eicellen uit een koe van topklasse, ingeplant in de baarmoeder van koeien zonder specifieke kwaliteiten. Deze draagmoederkoeien voldragen de potentiële topkalveren. Na hun geboorte is het afwachten of ze de hoge verwachtingen kunnen waarmaken.

Gezondheid van de koe

Melkveehouders mogen alleen melk leveren van gezonde koeien. Samen met de dierenarts waakte de boer over de gezondheid van hun veestapel. Naast bezoeken vanwege een ziek dier, controleert de dierenarts vier keer per jaar de gezondheid van de koeien. Dat gebeurt in het kader van de kwaliteitssystemen van de zuivelondernemingen. Regelmatig voorkomende kwalen als uierontsteking (mastitis) kunnen worden geconstateerd en met geneesmiddelen worden opgelost. Als een koe met antibiotica wordt behandeld, mag haar melk niet aan de fabriek worden geleverd. Veehouders mogen zelf bepaalde geneesmiddelen toedienen. Dit is echter wel gebonden aan strenge regels. De melkveehouder is verplicht om iedere diergeneeskundige handeling binnen zijn bedrijf te registreren.

Mond- en klauwzeer (MKZ)

Mond-en-klauwzeer is één van de meest besmettelijke dierziekten. Ze komt voor bij evenhoevige dieren, zoals runderen, varkens, schapen en geiten. Door de juiste passende voorzorgsmaatregelen te nemen en zieke dieren tijdig af te voeren, wordt verder verspreiding van de ziekte tegengegaan. Mond-en-klauwzeer kan niet op de mens worden overgedragen en is niet van invloed op de kwaliteit van de melk.

BSE

BSE (Bovine Spongiforme Encephalopathie) is een sponsachtige aandoening in de hersenen van een rund. Ze heet in de volksmond “gekkekoeienziekte”. Het denken en bewegen van koeien wordt verstoord door holtes in de hersenen. Uiteindelijk sterft het dier aan de ziekte. BSE wordt veroorzaakt door zogeheten ‘prionen’. Dat zijn afwijkende eiwitten die gewone eiwitten kunnen vervormen.
De prionen die BSE veroorzaken, zijn nooit in melk aangetroffen. Wel kunnen organen van een koe met BSE (hersenen, ogen of milt) bij mensen een hersenziekte veroorzaken. De ziekte bij de mens als gevolg van BSE is een variant op de hersenziekte Creutzfeld-Jakob.

Registratie

Mede met het oog op besmettelijke dierziekten zijn alle koeien geregistreerd in het Identificatie en Registratiesysteem voor runderen. Door de code op het oormerk kan te allen tijde de herkomst van iedere koe worden nagegaan. De gele ‘oorbellen’ zijn het paspoort van de koe. De Europese Unie eist dat alle koeien geregistreerd zijn.

Veehouders melden elk geboren kalf op hun bedrijf aan bij een centrale computer. De veehouder krijgt daarop twee gele oormerken, voorzien van een streepjescode en een nummer. De veehouder bevestigt de merken in de oren van het kalf. Via de streepjescode en het nummer zijn alle koeien herkenbaar.

Samenstelling van rauwe melk

De samenstelling van melk van de koe (ook wel ‘rauwe melk’ genaamd) verschilt naar gelang het seizoen of het voer van de koe. Globaal gaat het om de volgende stoffen:
In melk zit vitamine A en D en B1, B2, B6 en B12, maar ook E en K. De mineralen zijn vooral calcium, maar verder ook andere fosfor en natrium. Hieronder vallen ook minieme hoeveelheden sporenelementen als ijzer, zink en koper. De koolhydraten zijn met name melksuikers.

In de verschillende melkproducten vinden we deze voedingsstoffen terug. De halfvolle en magere producten bevatten minder vitamine A en D omdat deze in het melkvet voorkomen.

Gras en ander voer

Gras is het favoriete voer van de koe en daardoor ook meteen de belangrijkste grondstof voor melk.

De koe eet gras in het weiland in de maanden dat het gras groeit, dat is tussen april en oktober. Koeien die in die periode op stal staan, krijgen het gras dat door de veehouder is gemaaid. Gemiddeld eet een koe ongeveer vijftig kilo gras per dag.

Kuilgras

’s Winters, als alle koeien in de stal staan, krijgen zij het kuilgras. Kuilgras is gras dat in het voorjaar of in de zomer is gemaaid en is ‘ingekuild’. Inkuilen wil zeggen dat het gras op een grote hoop op een betonplaat is verzameld. Daarna rijdt er een trekker of andere zware machine overheen om de lucht eruit te krijgen en zo bederf te voorkomen. De grashoop wordt met plastic afgedekt.

Tegenwoordig zie je op boerderijen ook veel ronde plastic balen. Daar zit ook kuilgras in, dat in het voorjaar meteen op het land in plastic is verpakt.

Op sommige boerderijen wordt het gras langer gedroogd. Het krijgt dan een gele kleur. Dit gedroogde gras heet hooi. Vroeger werd alle gras voor de winter verwerkt tot hooi en in hooibergen opgeslagen. Tegenwoordig wordt het hooi meestal tot vierkante balen samengeperst.

Ruw- en krachtvoer

Naast gras eet de koe producten zoals maïs, bieten of aardappelen. Al deze op de boerderij geteelde producten worden ruwvoer genoemd.
Daarnaast eet de koe krachtvoer. Dat wordt gemaakt door mengvoerfabrikanten die hiervoor diverse grondstoffen zoals soja, mais, granen, mineralen, vitamines etc mengen en er kleine brokjes van maken. De kwaliteit van dit krachtvoer wordt goed gecontroleerd om te voorkomen dat er ongewenste stoffen in de melk terecht kunnen komen. In Nederland kopen melkveehouders alleen diervoer van bedrijven die zijn aangesloten bij Securefeed.

Voerhek

Als de koeien op stal staan, krijgen ze hun voer bij het zogenaamde voerhek. Hier legt de veehouder op gezette tijden gras, maïs of ander voer neer.

Voercomputer

Koeien hebben soms een halsband met een chip erin. Op het moment dat een koe bij een voerbak komt wordt – via de chip in deze halsband – contact gemaakt met de krachtvoercomputer, bijvoorbeeld als de koe wordt gemolken. Zodra de koe haar kop in de voerbak steekt, kan de computer aan een zendertje op de halsband van de koe zien hoeveel de koe nog mag hebben. Als ze haar dagelijkse portie al binnen heeft, blijft de bak leeg. De computer regelt dat de koe niet meer voer krijgt dan de hoeveelheid die de melkveehouder heeft ingevoerd. Die hoeveelheid kan verschillen per seizoen, maar ook per koe. Als een koe een kalf heeft gekregen, krijgt ze bijvoorbeeld extra voer om weer op krachten te komen.

Kwaliteitszorg

De wet Algemene Levensmiddelen Verordening (GFL) geeft aan wat er wel en niet in veevoer mag zitten. De Nederlandse zuivelketen stelt eisen die nog verder gaan dan deze wet voorschrijft. Die wetgeving en extra eisen zijn omgezet in een certificatieschema Securefeed.

Kleine, kleurige koeien

De tamme koeien waren een stuk kleiner dan de wilde oeros. Dit blijkt uit botten die bij opgravingen zijn gevonden en ook uit afbeeldingen op schilderijen. Deze koeien gaven ook veel minder melk dan de koe van tegenwoordig: waar de koe nu (in 2004) zo’n 7000 liter melk per jaar geeft, bedroeg de melkproductie aan het eind van de middeleeuwen 1000 liter per jaar en rond 1800 gemiddeld zo’n 2000-3000 liter melk.
Koeien waren destijds ook veel kleuriger. Naast zwarte en zwartbonte koeien wordt in beschrijvingen uit de Middeleeuwen gesproken over rode, roodbonte, muiskleurige, bruine, gele en witte koeien.

Ziekten

Epidemische ziekten kwamen vroeger ook veel voor. In de achttiende eeuw is een groot deel van de Nederlandse veestapel aan de veepest bezweken. Ter vervanging werden koeien uit Duitsland en Denemarken ingevoerd. In de negentiende eeuw koos men voor bestrijding door het doden van besmette dieren en inenting van gezonde dieren.

Stamboeken

Om betere dieren te fokken, werden in 1874 het Nederlands Rundveestamboek en in 1979 het Fries Rundveestamboek opgericht. Deze stamboeken registreerden koeien en stieren die aan bepaalde voorwaarden voldeden en organiseerden keuringen. Er kwam ook een indeling van de Nederlandse koeien in drie rassen: zwartbont Fries en zwartbont Hollands, roodbont Maas-Rijs-IJssel en zwartblaar Gronings.

Van export naar Holstein-Friesian

Nederlandse koeien waren in de 19e eeuw populair in het buitenland vanwege hun hoge melkproductie. In de Verenigde Staten werd met Nederlandse koeien verder gefokt. Deze koeien kregen de naam Holstein-Friesian. In de tweede helft van de twintigste eeuw kwamen deze Amerikaanse afstammelingen van Nederlandse koeien terug in Nederland.